Curcumine

Curcumine

Curcumine is afkomstig uit de wortel van kurkumine planten. Voor het verkrijgen van een goed werkend product is de curcumine uit Curcuma longa de belangrijkste plant.

Indien Curcumine als puur poeder wordt ingenomen, heeft het nagenoeg geen positief gezondheidseffect. Het wordt direct in de darmwandcellen en in de lever omgezet en via de gal weer uitgescheiden in de darm. Ook wordt een groot deel van de Curcumine zelfs niet door de darmwandcellen opgenomen vanwege de werking van de zogenaamde “geneesmiddelenpomp”. Dit is en transporteiwit in de membraan van de darmwandcellen (P-glycoprotein) die de Curcumine weer terugpompt in de het darmlumen.

Piperine, een alkaloïd uit onder andere zwarte peper, remt de werking van de “geneesmiddelenpomp” en remt enigszins de snelle afbraak van Curcumine in de darmwandcellen en in de lever. Om dezelfde reden geeft piperine ook interacties met bepaalde geneesmiddelen.
Indien de Curcumine wordt opgenomen als fytosoom dan wordt de Curcumine wel goed opgenomen en wordt beschermd tegen afbraak in de cellen en in de lever.

Curcumine als fytosoom is het Curcumine gebonden aan fosfatydylcholine. Fosfatydylcholine is een lichaamseigen stof en wordt door het lichaam gebruikt. Choline behoort tot het Vitamine B complex en is nodig voor de hersenontwikkeling.

Na opname door het lichaam kent Curcumine de volgende eigenschappen:
* Curcumine is evenals een extract van Mariadistel een leverbeschermend middel
* Curcumine werkt als een potent en meervoudig antioxidant
* Curcumine is een sterke ontstekingsremmer. Het remt het Cox 2 enzym waardoor er geen of veel minder ontsteking-actieve prostaglandinen en tromboxanen gevormd worden uit arachidonzuur.
* Curcumine heeft kankerremmende en neuroprotectieve eigenschappen
* Het heeft een gunstige werking bij artrose
* Het werkt gunstig bij depressies en prediabetes
* Het heeft een gunstige werking bij een standaardbehandeling van bepaalde typen kanker.

Voor vragen en uw specifieke toepassingen, neemt u contact met mij op.
** Bron: Ned. Tijdschrift voor Fytotherapie; 29ste jaargang, nr 2, 2016.